maandag 1 juli 2013

Park Picknick Poëzie 2013: Verslag

Gisteren heb ik opgetreden bij Park Picknick Poëzie. Ik weet niet precies wat voor magische krachten Fred Penninga (degene die alles organiseert) bezit, maar elke keer dat ik PPP bezocht heb, was het prachtig weer. 'Misschien krijg ik nog meer sproeten,' zei ik hoopvol tegen Nicole, maar bij thuiskomst bleek dat mijn hele hoofd verbrand was. 

Muziekgroep Pekel was ook weer aanwezig, dus we konden met z'n allen het Griftparklied zingen. Nou, dat was precies zo leuk als het klinkt. Het goede aan Pekel is dat het ook leuk is als je niet van folkmuziek houdt, want uiteindelijk kun je de neiging om mee te zingen met teksten als 'Hoog is de zolder, laag is de vloer' toch niet bedwingen. Het helpt ook als je ze al vaker gezien hebt, dus wat dat betreft vind ik het een goede gewoonte van Fred om ze steeds opnieuw uit te nodigen.

Maar er was natuurlijk ook poëzie. Nicole was eerst en ze deed het hartstikke goed. Ik was in het tweede blokje en bij mij ging het eigenlijk ook gewoon goed. Verder traden o.a. Ruben van Gogh en Ingmar Heytze op, dus er was genoeg mooie poëzie om naar te luisteren. Publiek was er ook, voor een significant deel bestond het uit kinderen die schaafijs aan het eten waren en daardoor hopelijk niet zo gelet hebben op de (homo-)erotische gedichten die door sommige dichters werden voorgedragen. Zelf heb ik dat roze tintje maar vooral uit laten komen in mijn kledingkeuze. 
Al met al was het een erg geslaagde Park Picknick Poëzie. Volgend jaar is de tiende editie, dan hoop ik zeker weer aanwezig te zijn. Door dit optreden, en ook door de Shut up and write waar ik afgelopen donderdag naartoe ben gegaan, heb ik in elk geval weer een hoop zin gekregen om me weer meer bezig te houden met schrijven. 

vrijdag 21 juni 2013

Park Picknick Poëzie 2013

Volgende week zondag doe ik mee met Park Picknick Poëzie 2013. Ik heb al eerder meegedaan en toen was het stralend weer, hopelijk wordt het dat dit jaar weer. 29 juni is het Roze Zaterdag en het thema sluit hierop aan, dus het is de bedoeling dat er veel 'gedichten met een roze inhoud' worden voorgedragen. Nu is dat thema gewoonlijk niet echt prominent aanwezig in mijn gedichten, maar dat mijn vrouw ook bij Park Picknick Poëzie optreedt, lijkt me eigenlijk al roze genoeg.

De poëziemiddag is in het Griftpark te Utrecht en begint om 14.00. 

donderdag 7 maart 2013

Ik ben persoon 12


Persoon 1 kwam op het idee. Ze kwam op het idee in de week waarin ze ging samenwonen met haar vriendje en haar jaarcontract met weer een jaar verlengd was. Het was tijd voor een reünie.

Ze verstuurde een e-mail. Persoon 2 las die niet, want zijn adres (ikhoudnietvanerwtensoep@hotmail.com) was onbruikbaar geworden. Ook persoon 3 zou de e-mail niet ontvangen. Persoon 3 woonde tegenwoordig in een klooster in India, waar de internetverbinding niet optimaal was. De overige dertig personen lazen de e-mail. Ze hadden gedachten die varieerden van ‘Een reünie, wat tof, hier heb ik al die jaren op zitten wachten!’ tot ‘O nee hè, niet weer’. Daarna sloegen ze collectief aan het googelen.

Zo kwamen ze erachter dat persoon 4 inmiddels een kind had dat Levi heette. Het was een lelijk kind dat hield van aardbeien, maar dat weerhield de moeder er niet van om talloze foto’s te posten. Persoon 5 had een baan die zo saai klonk dat ze zich afvroegen of hij er zelfmoordneigingen door zou ontwikkelen. Persoon 6 had nog steeds een relatie met persoon 7. Persoon 8 was ooit vanwege zijn autisme op televisie geweest. Een paar mensen verlangden ernaar om autisme te hebben. Persoon 9 had in Amerika gestudeerd. Persoon 10 woonde nog steeds in het slaperige dorpje waar ze alle drieëndertig vandaan kwamen. Persoon 11 was verleden jaar Prins Carnaval geweest. Persoon 12 was getrouwd en waanzinnig gelukkig. Nadat ze persoon 12 hadden gegoogeld, klapten ze ontgoocheld hun laptop dicht. De eventuele zin die ze in een reünie hadden gehad, verdween bij de gedachte dat ze persoon 12 zouden ontmoeten. Persoon 1 vloekte binnensmonds.

vrijdag 1 maart 2013

Rauwe bonen


In de supermarkt
De haren zijn het ergst. Al hoef je die niet op te eten. Ze aarzelt, weegt de kiwi op haar hand. Denkt aan de pitjes en legt de kiwi weer terug. Naast de kiwi’s liggen de bananen. Ze heeft wel eens gelezen dat bananen over een paar jaar zullen uitsterven. Nu het nog kan, zou ze ze eigenlijk moeten kopen. Ze zijn zelfs in de aanbieding. Net als ze haar hand uitsteekt om de bananen te pakken, denkt ze aan de reden dat ze uitsterven. Schimmelziektes. Misschien kan ze toch beter kiwi’s kopen. Die haren zijn eigenlijk best lief, op een bepaalde manier. Ze aait er eentje en legt hem met een zucht in haar mandje.

Bij het sollicitatiegesprek
‘Wat zijn je goede eigenschappen?’ De man zit op een keukentrapje. Zijzelf op een krukje. Zitten wordt in deze winkel sterk ontmoedigd.
‘…’
‘Geen goede eigenschappen?’ De man lacht. ‘Slechte dan?’
‘O ja…’, zegt ze. Herinnert zich dat het een sollicitatiegesprek is en vervolgt: ‘Maar ook goede, hoor. Ik ben klantvriendelijk en werk nauwkeurig.’ Een rechtstreeks citaat uit haar sollicitatiebrief.
‘Vind je het vervelend als de pauzes niet op vaste tijden zijn?’ vraagt de man. ‘Het kan hier erg druk zijn, soms is er eigenlijk geen tijd om te eten.’
‘O, dat is geen probleem.’
Ze wordt aangenomen.

In de slaapkamer
Het is twee uur ’s nachts. Ze kan niet slapen. Ze heeft honger. Het is drie uur ’s nachts als ze zich realiseert dat die twee problemen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Als ze slaapt, voelt ze geen honger. Aangezien het niet lukt om in slaap te vallen, is het tijd voor de omgekeerde methode. Dus kruipt ze uit bed en vindt achter in een keukenkastje een reep chocolade. Staande eet ze. Als ze weer in bed ligt, kan ze nog steeds niet slapen. Haar mond voelt zoet en slijmerig, maar haar maag rammelt niet meer. Ze ervaart het als een verbetering. Ze weet dat ze pas beter zal worden als ze het overdag ook zo zou ervaren.

In de winkel
‘Wilt u er een plastic tasje bij?’ 
Ja, dat wil de oude mevrouw wel. Want het regent.
‘Nee hoor, probeert u het gerust nog eens. Een momentje.. Ja, nu kan het.’ 
De man tikt opnieuw een verkeerde pincode in.
‘Nog een prettige dag verder!’ Haar wordt hetzelfde toegewenst. ‘Dankjewel.’ Ze meent het. Door al die ‘jij ooks’ en ‘hetzelfdes’ is het inderdaad een prettige dag.
‘Er stond in de folder dat hier korting op zou zitten, 25%, ik weet het zeker. Anders hoef ik het niet, dan wordt het veel te duur en alles is al zo duur tegenwoordig…’
Natuurlijk, er zijn ook mindere momenten.

In de badkamer
Sinds kort heeft ze een elektronische weegschaal. Als kind sprong ze er altijd op. Ze vond het leuk als de wijzer naar de 80 zwiepte, of zelfs nog hoger. Bij een elektrische weegschaal kan dat niet. Er is zo veel veranderd. Alles eigenlijk, behalve haar gewicht. Ze glimlacht.

zondag 3 februari 2013

Turing Victim Fundraising Event

Aanstaande woensdag wordt de uitslag bekend gemaakt van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. De wedstrijd waarbij elk jaar weer iets mis lijkt te gaan. Dit jaar verdween de opmaak van veel gedichten bij het insturen, waardoor gedichten ineens een prozabrij werden. Nu beweerde de organisatie dat dat allemaal geen enkel effect had gehad op het beoordelen van de inzendingen (zie hier), maar je moet wel heel knap zijn om bij alle gedichten precies uit jezelf te weten waar de dichters de regelafbrekingen en de einde van de strofes had bedoeld. Ik geloof daar niet in. Toegegeven, op de site had wel een waarschuwing gestaan dat je moest oppassen dat regelafbrekingen verloren konden gaan bij het insturen, maar dat is nu juist het frustrerende: ik hád het gedicht eerst in Kladblok gezet om dit te voorkomen en ik hád het nog een keer extra gecontroleerd. Desondanks heeft de jury alleen een brij aan tekst van mij onder ogen gekregen. Geen wonder dat ik niet door was.

Ja, leuk is dat niet. Maar het is ook wel begrijpelijk dat bij zo'n enorme wedstrijd fouten worden gemaakt en dat het eigenlijk onmogelijk is om zo veel gedichten eerlijk en goed te beoordelen. Dus je kunt daarover blijven rellen, maar je kunt ook naar het Turing Victim Fundraising Event gaan. Hier kwamen de slachtoffers bij elkaar om hun gedichten voor te dragen. Daarnaast had iedereen een kunstwerk van zijn gedicht gemaakt, of het in elk geval handgeschreven in te leveren, zodat het geveild kon worden. De opbrengst ging naar Stichting Lezen en Schrijven, een echt goed doel dus. Probleem was alleen dat ik vanwege mijn vrijwilligerswerk daar niet bij kon zijn. Gelukkig heb ik Nicole, die er wel heen kon gaan, en zelfs zo vriendelijk was om mijn gedicht met zich mee te nemen.  Ik ben blij dat mijn gedicht zo toch nog wat op heeft geleverd. Overigens veroorzaakte mijn 'kunstwerk' nog wel wat verwarring, omdat men dacht dat het een hele bundel was. En dat het dáárom ook wel afgewezen zou zijn. Maar nee, mijn gedicht telde precies 15 regels.Mits het de juiste opmaak heeft.




dinsdag 29 januari 2013

Schrijfwedstrijd De Buren

Afgelopen zondag was de prijsuitreiking van een schrijfwedstrijd georganiseerd door de Bibliotheek Amersfoort en Vlaams-Nederlands Huis deBuren. Het was tegelijkertijd vooral een literaire middag met o.a. Annelies Verbeke en Maud Vanhauwaert en dat was al heel leuk, maar aan het einde van die middag bleek ook nog dat Nicole de eerste prijs gewonnen had en ik de tweede. Een mooie score dus. Mijn verhaal staat hieronder en de overige verhalen zijn te vinden op: http://www.debeep.nl/actueel/nieuws/winnende-verhalen-schrijfwedstrijd-de-buren/10704




De verhuizing

Het begon met een theelepeltje. Mevrouw Lakendrift tikte met het lepeltje op de rand van haar kopje koffie en bekeek het nog eens goed. ‘Dit is mijn lepeltje’, zei ze.
De buurvrouw knikte, een glimlach speelde om haar mond. ‘Ja, dat is uw lepeltje.’
Met een verward gevoel ging mevrouw Lakendrift naar huis. Ze telde haar theelepeltjes. Het waren er negen. Ze had er altijd tien gehad.

Elke week dronken ze samen koffie, de ene week bij mevrouw Lakendrift en de andere week bij de buurvrouw. Op dinsdag. Zo deden ze het al twintig jaar. In die twintig jaar hadden ze hun traditie maar twee keer verbroken. De ene keer toen de zoon van de buurvrouw een broodmes in zijn voet had laten vallen en met spoed naar het ziekenhuis gebracht moest worden, de andere keer toen de kat van mevrouw Lakendrift was weggelopen en ze de hele dag op het politiebureau had gezeten. Ze had maar niet begrepen waarom niet het hele politiecorps was ingezet om Kitty te zoeken. Pas toen de buurvrouw was gekomen en haar had beloofd om een zoekactie met alle buren op te zetten, was ze naar huis gegaan. Het had niet geholpen, Kitty was nooit gevonden.

Een afspraak afzeggen was dus geen optie. De volgende dinsdag stond de buurvrouw stipt om tien uur voor de deur. Met bonkend hart deed mevrouw Lakendrift de deur open. Samen dronken ze koffie. Mevrouw Lakendrift had mini-stroopwafeltjes op de markt gekocht. Zij nam er een, de buurvrouw nam er twee. ‘Morgen begin ik weer met lijnen’, zei de buurvrouw. ‘Vandaag mag het nog.’ De buurvrouw lijnde altijd van woensdag tot vrijdag.
‘Wil je er nog eentje?’ vroeg mevrouw Lakendrift en ze hield de buurvrouw het schoteltje met de koekjes voor. De buurvrouw schudde lachend haar hoofd. Het was gezellig.
Toen de buurvrouw weg was, viel het oog van mevrouw Lakendrift op de kapstok. Er miste iets. Omdat het zomer was, duurde het even voordat ze bedacht dat het haar favoriete wintersjaal was. De buurvrouw had nog speciaal gevraagd waar ze de sjaal gekocht had, omdat ze hem zo mooi vond. Ze wist zeker dat hij de vorige dag nog aan de kapstok had gehangen, want toen was de sjaal gevallen op het moment dat ze haar jas had gepakt om naar de markt te gaan. Voor de zekerheid zocht ze haar hele huis af, zonder resultaat.


De rest van de week besteedde ze aan het opruimen van haar spullen. Ze maakte een lijst van spullen die ze kwijt was. Het werd een lange lijst. Toen de buurvrouw bij de volgende afspraak de deur opendeed met haar sjaal om haar nek was ze desondanks met stomheid geslagen. ‘Mooie sjaal’, bracht ze uit.
‘Ja hè? Nog bedankt voor de tip. Hij is wel wat warm voor in de zomer, maar met dit weer…’ Het regende. Mevrouw Lakendrift knikte begrijpend.
De echte schok kwam een minuut later, toen ze op de bank wilde plaatsnemen. ‘Pas op voor de kat’, waarschuwde de buurvrouw. Inderdaad lag er een kat op de bank.
‘Kitty!’ riep mevrouw Lakendrift uit. Voorzichtig ging ze naast de kat zitten. De kat begon meteen te spinnen en legde haar kop op haar schoot.
‘Nu de jongens uit huis zijn, kreeg ik behoefte aan wat extra gezelschap’, legde de buurvrouw uit. ‘Het is een leuk beest, vindt u niet?’
Ja, dat vond mevrouw Lakendrift ook. ‘Hoe heb je haar gevonden?’
‘O, ik heb haar gewoon uit het asiel gehaald. Wilt u nog een chocolaatje?’
Zonder te kijken graaide ze een chocolaatje van het schoteltje en stak het in haar mond. Het aaien van de kat maakte haar rustiger en zorgde ervoor dat ze helderder kon denken. Toen ze weer thuis was, wist ze precies wat ze moest doen.

Ze begon met de keukenspullen, die ze in een kartonnen doos voor haar slaapkamerraam zette. Daarna nam ze haar porseleinen beeldjesverzameling, die ze voorzichtig in kranten en theedoeken wikkelde en in de kattenmand legde, naast haar nachtkastje. Ze haastte zich niet. Ze wist dat ze een hele week de tijd had. Een week om haar gehele inboedel naar de slaapkamer te verplaatsen. De slaapkamer was de enige kamer in haar huis die ze apart kon afsluiten. Dus stopte ze al haar bezittingen in dozen, versleepte met enige moeite de bank en sjouwde met haar eettafeltje. Het was maar goed dat ze altijd zo veel aan sport had gedaan. De volgende dinsdag stonden in haar woonkamer enkel nog twee stoelen en een aantal lege kasten. In de keuken stonden alleen nog het koffiezetapparaat en een dienblad, waarop ze alvast twee kopjes en een schoteltje met pindakoeken klaargezet had. De slaapkamer was zo vol dat ze die nacht nauwelijks had kunnen slapen. Door de eettafel die ze over haar bed heen had geplaatst en de planten rond haar bed had ze het gevoel gekregen dat ze al begraven was.
De buurvrouw leek even verbaasd te zijn toen ze de woonkamer binnenkwam, maar herpakte zich toen snel. Ze ging zitten op de dichtstbijzijnde stoel en vroeg: ‘Gaat alles goed met u?’
‘Ja’, zei mevrouw Lakendrift. ‘Alles gaat goed.’
Ze liep naar de keuken, waar ze met licht trillende handen de koffie inschonk. Met het blad in haar handen liep ze naar de woonkamer, waar ze geschokt in de deuropening bleef staan. Ze liet het dienblad vallen en sloeg haar handen voor haar gezicht.
De buurvrouw was weg. In de kamer stonden alleen nog een aantal lege kasten en één stoel.

zaterdag 10 november 2012

Fantasy Strijd Brugge 2012

Afgelopen week kreeg ik de uitslag binnen van de schrijfwedstrijd Fantasy Strijd Brugge 2012. Dit is de enige wedstrijd die ik ooit heb meegemaakt waarbij je van elk jurylid persoonlijk commentaar krijgt en waarbij alle verhalen op een ranglijst terechtkomen. Ik vind dit ontzettend leuk en waardeer het vele werk wat de jury hieraan gehad moet hebben enorm, maar kan me ook voorstellen dat het minder leuk is als blijkt dat je op nummer 213 terecht bent gekomen en dus allerlaatste bent geworden. Dat was bij mij echter gelukkig niet het geval. In de rangschikking stond ik op nummer 31, waar ik erg tevreden mee ben. Gewoonlijk schrijf ik immers geen fantasy-verhalen en ik had geen idee of de jury mijn verhaal überhaupt wel als fantasy zou beschouwen. 
De eerste twintig verhalen zijn in een bundel geplaatst en daarnaast heeft Alex de Jong, een van de juryleden, nog zeven andere verhalen uitgekozen die ook in de bundel staan. Ik hoor daar nét niet bij, want ik stond bij hem op nummer 27. Twee andere juryleden waren wat minder positief, maar ik ben allang blij dat drie juryleden mijn verhaal wél konden waarderen. Want bij Peter Schaap stond ik op de negende plaats en bij Mel Hartman zelfs op de derde. Reden genoeg om mijn verhaal op mijn blog te posten dus.

Het blauw van bosbessen

Jarenlang is hij omringd geweest door mannen. Daardoor is hij mannelijker geworden dan een man ooit zou kunnen worden. Hij rekt zich uit en spant zijn spieren. Rent de fabriek uit. Het is geen vluchten. Als man heb je niets te vrezen.

Wat hij zich herinnert:
- dat zijn moeder een druppende kraan dichtdraaide, terwijl hij net van het ritme in zijn hoofd een liedje maakte. Hoe zijn moeder hem daarna over zijn haren aaide en tegen hem zei dat hij nu écht moest gaan slapen.
- dat hij tijdens de lessen op school briefjes uitwisselde met zijn beste vriendin. Dat ze vaak gesnapt werden en dan lange opstellen moesten schrijven over het gevaar van… Nee, dat herinnert hij zich niet. En ook niet wat er op die briefjes had gestaan.
- dat hij tijdens schoolkamp samen met zijn beste vriendin de slaapzaal uit sloop om buiten bosbessen te plukken. Iedereen weet dat het ’s nachts eten van bosbessen ervoor zorgt dat je later gelukkig wordt. 
- dat ze de bosbessen nooit bereikten, omdat de mannen ineens opdoken en hen meenamen. Hij weet niet meer waarom. En wat ze met hem deden. Hij weet alleen dat hij zich nu bevrijd heeft.

Er groeit een baby in zijn buik.

Hij stopt met rennen. Het is nacht. De straten liggen er verlaten bij. Een stapel kranten ligt vergeten in een portiek. ‘Opnieuw zware strijd in Ngori: zes doden’. ‘Gezocht: Länka (14 jaar) en Mïrè (15 jaar). Menga-ontvoering wordt gevreesd.’ Hij wendt zijn blik af. Hij weet niet waar Ngori ligt. Hij kent Länka en Mïrè niet. Dus hebben deze berichten niets met hem te maken. Toch komen de kranten hem goed van pas. Hij kruipt in het portiek en bedekt zich ermee. Even later valt hij in slaap.

Hij wordt wakker als iemand de deur probeert te openen. De deur port hinderlijk in zijn rug. Meteen schiet hij overeind. Legt beschermend zijn armen over zijn buik en luistert naar de conversatie die zich boven hem afspeelt.
‘Wat is dat nou?’ Een vrouwenstem.
‘Een zwerfster. Ze is zwanger.’ Een andere vrouwenstem.
‘Ze zal toch niet…?’
‘De Menga’s? Ik vrees van wel.’
‘Hoe zou ze ontsnapt zijn?’
‘Maakt dat wat uit? Het is haar gelukt. Ze zal haar baby wel hebben willen beschermen.’
‘Het is barbaars hè… Hoe ze die jongens opleiden tot soldaat. Ze laten omkomen bij Ngori. Alsof het niet ook hún zonen zijn.’
‘En hun dochters dan…’
Een huivering.
Hij begrijpt niet waarom de twee mensen zo’n persoonlijk gesprek hebben over iemand terwijl ze kunnen zien dat hij in hun portiek zit. Dus staat hij op, veegt de kranten van zich af en loopt weg.

Wat hij zich herinnert:
- dat hij een keer van school thuiskwam en zijn vader huilend aantrof. Zijn moeder was nog niet thuisgekomen. Hij had een tekening gemaakt van hoe zijn moeder ontvoerd werd. Zijn vader had hem een klap gegeven. Was verder gegaan met huilen. Daarna was zijn moeder thuisgekomen. Ze was verdwaald in het bos, maar had wel bosbessen meegebracht.
- dat zijn moeder hem de volgende dag leerde hoe hij met behulp van de sterren, de maan en de zon altijd de weg naar huis terug zou kunnen vinden. De dag ervoor was het bewolkt geweest.
- dat hij samen met zijn beste vriendin een vuurtje stookte in het parkje bij hun straat en dat ze  elkaar plechtig beloofden altijd bevriend te blijven. Dat toen een schuurtje vlam vatte en de hele straat moest helpen om het vuur te blussen. De ouders van zijn beste vriendin hadden hun dochter verboden om contact met hem te hebben, maar daar hadden ze zich niets van aangetrokken.
- dat hij zijn beste vriendin nu achtergelaten heeft bij de mannen.

Een van de vrouwen is hem achternagekomen. Ze roept: ‘Wacht even!’, maar hij negeert haar. Hij wil niet dat ze hem vraagt wat hij daar in dat portiek deed. Misschien wil ze geld van hem zien en dat heeft hij niet. Hij wil gaan rennen, maar de baby trapt protesterend tegen zijn buik, zodat hij het bij snelwandelen moet houden. ‘Wacht nou even!’ roept de vrouw opnieuw. Hij wandelt stug door. Aan het einde van de straat staat iemand met een blauwe jas. Even denkt hij dat diegene hem kan helpen om van de opdringerige vrouw af te komen, maar als de blauwjas zich omdraait, weet hij dat het andersom moet zijn. Alleen is het dan al te laat.

Wat hij zich herinnert:
- dat hij opstellen moest schrijven over de mannen van Menga, die herkenbaar zijn aan hun blauwe jas. Volgens zijn moeder dragen ze blauwe jassen zodat hun lichtblauwe gelaatskleur minder opvalt. 
- dat het altijd warm was in de fabriek. Te warm voor kleren, te warm om te rennen.
- dat hij een dochter baarde.
- dat hij nu geen dochter meer heeft.
- dat jongens nooit meegenomen worden door de Menga’s.

De man in de blauwe jas komt naar hem toe. Grijpt zijn pols. Er ontstaat een conversatie.
‘Zo mevrouw, waar gaat u naartoe?’
‘Ik ben een man.’
‘U bent zwanger.’
‘En een man.’
‘Het is hier veel te koud voor u. Zal ik u meenemen naar waar u vandaan komt?’
‘Ik ben een man.’
Vanuit de verte komen andere blauwjassen aangerend. Hij probeert zijn pols los te rukken. Het lukt. Omdat hij een man is. Mannen zijn sterk. De man doet opnieuw een greep naar zijn arm, maar hij struikelt achteruit. Keert zich om. Probeert weg te rennen. Schreeuwt ondertussen: ‘Ik ben een man! Ik ben een man!’ Hij blijft schreeuwen, totdat hij ineens onder zijn oksels wordt vastgepakt en meegesleept. 

Terwijl hij wordt weggesleept, praten er allerlei mensen door elkaar.
‘Ze denkt dat ze een man is.’
‘Zelfbescherming…’
‘We waren net op tijd.’
‘Snel, leg haar op deze bank.’
Hij wordt op een bank gelegd. Iemand gaat naast hem zitten. Praat tegen hem.
‘Rustig nu maar, hier ben je veilig. Wij gaan je helpen. Je hoeft niet meer terug naar de fabriek. Je mag je kind zelf houden. Wij zullen voor je zorgen.’

En hij weet:
- dat als het een jongen wordt, hij niet naar de oorlog wordt gestuurd.
- dat als het een meisje wordt, ze niet wordt vermoord.
- dat hij niet meer omringd is door Menga’s.
- dat hij vanaf nu altijd op zal letten als hij les krijgt.

Ergens drupt een kraan. De baby schopt met het ritme mee. Als het een meisje wordt, noemt ze haar Länka. Of Mïrè.